kledingstoffen

(KLEDING)STOFFEN

Er zijn tal van stoffen in de handel maar heel veel mensen weten niet precies wat hiermee wordt bedoeld. Het ABC van bekende stoffen:

  • Alcantara: stof die lijkt op suède. Alcantara is een wettig gedeponeerd merk. Is zacht en licht van gewicht, elastisch en vormvast. Het bestaat uit polyester-vezel- elastomeer en is behoorlijk brandbaar. Blazers van Alcantara waren populair in de jaren tachtig. Je ziet ze nu weer terugkomen.
  • Alpaca: haar van een soort lama, gebruikt in breiwaren.
  • Angora: haar van angorakonijn. Onder andere in gebreide producten.
  • Badstof: meestal uit katoen vervaardigd. Dit weefsel wordt zo gemaakt dat het snel vocht opneemt en goed isoleert. Wordt gebruikt voor badhanddoeken, strand- en babykleding en sokken.
  • Batist: Stof van fijne en meestal katoenen garens en in een linnenverbinding geweven. Genoemd naar de eerste vervaardiger, de Fransman Baptiste. Wordt gebruikt voor dunne blouses, zomer- en nachtjaponnen en zakdoeken.
  • Corduroy: Engelse naam voor ribfluweel met smalle ribbels.
  • Crêpe: verzamelnaam voor allerlei soorten weefsels die door de binding een kroezelig (crêper = kroezelen) of wel onregelmatig uitzicht tonen.
  • Crêpe de Chine: een licht weefsel, fijn geribd en oorspronkelijk uit zijde.
  • Denim: de Beierse emigrant Levi Strauss (van de spijkerbroeken) opende in 1850 in Californië een stoffenzaak en verkocht daar broeken aan gouddelvers en andere avonturiers die waren gemaakt in het Franse Serge de Nîmes. De Nîmes werd Denim. Het is een dicht en stevig weefsel uit katoen. In de 19e eeuw werd Serge de Nîmes voor het eerst gedragen door matrozen uit Genua (in het Frans Gênes). Later werd gênes verbasterd tot jeans. Spijkerbroeken van denim zijn een evergreen en overleven elk modebeeld.
  • Duffel: zwaar wollen weefsel, aan beide zijden geruwd. Wordt gebruikt voor sportkleding en joppers.
  • Flanel: katoenen weefsel. Gebruikt voor pyjama’s en lakens.
  • Fluweel: verzamelbegrip van allerlei laagpolige stoffen met ingeweven poolgarens, meestal van katoen. Als het van wol is spreekt men van moquette.
  • Foulard: dunne, soepele, zijdeachtige gladde stof, vaak bedrukt met kleine motieven. Gemaakt van zijde, rayon of synthetische garens. Wordt gebruikt voor dassen, shawls en japonnen. Een grand foulard is een grote sierdoek die bijvoorbeeld over een zitbank wordt gedrapeerd.
  • Gabardine: dicht weefsel, gemaakt van dunne wollen kamgarens, maar ook van katoen en synthetische vezels. Gebruikt voor herenkleding, mantelpakken, japonnen en regenmantels.
  • Gerstekorrel: gekorreld weefsel.
  • Interlock: Een dubbeltricot, met rechte steken aan voor- en achterkant. Vaak toegepast in ondergoed.
  • Jacquard: J.M. Jacquard (1752-1834) is de uitvinder van de Jacquard-weefmachine. Het is weefsel waarin grote, vormrijke dessins zijn ingeweven. Wordt gebruikt voor japonnen, meubel- en gordijnstoffen en tapijten. Als luxe weefsel met goud- of zilverdraden of metaalachtige draden bekend als brokaat. Met patronen in dezelfde kleur voor tafellakens spreken we van damast.
  • Jaeger: ondergoed uit 100% wol.
  • Jersey: verzamelnaam voor allerlei soorten breisels, gebruikt voor bovenkleding.
  • Kasjmier: haar van de kasjmiergeit. Fijn, zacht en glad, voor mantels, truien en shawls.
  • Linnen: vlaslinnen weefsel.
  • Loden: Komt uit Beieren en Tirol. Loden stoffen hebben een langharig, naar beneden gestreken oppervlak dat extra bescherming biedt tegen regen. Wordt daarom verwerkt in regenkleding zoals een loden jas.
  • Lurex: garens met een metaalachtig uiterlijk. Vaak van kunststof waarop een laagje aluminium is gedampt.
  • Manchester: ook wel ribfluweel genoemd. Meestal van katoen en gebruikt voor jassen, broeken, kostuums, rokken, gordijnen en meubelbekleding. Vaak hebben de ribben zeer verschillende breedten. Een smalle rib heet corduroy.
  • Molton: zacht, dik weefsel van katoen. Wordt gebruikt voor onderdekens.
  • Mousseline: bedrukt weefsel in linnenverbinding, uit zachtgedraaide garens. Gemaakt van wol of katoen en nu steeds vaker van dunne vezelgarens van synthetische vezels. Voelt wollig en zacht aan en wordt gebruikt voor dameskleding.
  • Oxford: weefsel met fijne kettingdraden.
  • Pluche: hoogpolig kettingfluweel.
  • Popeline: oorspronkelijk gebruikt voor kerkelijke doeleinden en genoemd naar de paus (pope). Het is een linnenbinding uit katoenen garen geweven met kenmerkende dwarsribbeltjes. Wordt gebruikt voor hemden en blouses.
  • Satijn: komt van het Italiaanse seta (=zijde). Het weefsel vertoont een glanzend oppervlak en wordt gemaakt van allerlei soorten vezels. Gebruikt voor bruidskleding en voor voering.
  • Shantung: oorspronkelijk gemaakt van zijde, nu vaak van viscose.
  • Taft: een dicht en fijndradig en beetje stijf weefsel van zijde, viscose of synthetische materialen.
  • Tule: oorspronkelijk weefsel dat in het Franse Tulle werd gemaakt uit met de hand gekloste kant. Tegenwoordig gemaakt op kettingbreimachines. Heeft honinggraatvormige mazen.
  • Tweed: genoemd naar een rivier in Schotland. Dik en stevig weefsel van wol en wolmengingen.
  • Velours: katoenen, kettingfluwelen gordijnstof.
  • Vilt: materiaal dat ontstaat door het vervilten van vezels (wol en haren).
  • Vlieseline: merknaam voor een niet geweven, maar geplakt vezelvlies. Gebruikt ter versteviging van kragen, voorpanden en dergelijke.
  • Voile: Frans voor sluier. Een luchtig, doorzichtig weefsel uit handgedraaide garens. Gemaakt uit katoen, rayon of synthetische vezels.
  • Zwanendons: katoenen keperflanel, eenzijdig geruwd. Gebruikt voor nachtgoed.
3
3

Naast vader en echtgenoot kent het breed publiek mij van de wekelijkse huishoudpagina in De Telegraaf. Hier schreef ik tussen 2001 en maart 2016 liefst 758 afleveringen van de wekelijkse en zeer populaire huishoudrubriek. Nu ben ik voor mezelf begonnen met de Huishoudbode. Misschien wel de meest omvangrijke website in en rond het huis.